De opening van het Vlaams Huis in New York leidde tot enkele interessante bijdragen over de wrijving tussen de federale en de gewestelijke buitenlandse vertegenwoordiging.
De voorlopig laatste bijdrage komt uit de column van Mia Doornaert, met een tekenende anekdote:
Ik heb ook getuigenissen gehoord van kafkaiaanse scènes waartoe de opsplitsing van buitenlandse bevoegdheden zoal leidt. Bijvoorbeeld in China, waar een Belgische zakenadvocaat de interventie vraagt van een federale diplomaat om entree te verkrijgen bij een hoge politieke leider, ten behoeve van Belgische bedrijven. Hij en de diplomaat worden prompt verplicht de vertegenwoordigers van de drie gewesten meenemen omdat buitenlandse handel geen federale bevoegdheid meer is. Na de inleiding van de federale diplomaat doen de drie elk hun verhaaltje om hun eigen gewest aan te bevelen. De gastheer luistert oosters beleefd naar die interne concurrentie binnen het land dat maar een speldenknop op de kaart is en zegt: ‘Misschien kunt u terugkomen als u het onder elkaar eens bent geworden.’
Zonder een politieke stelling in te nemen, is het misschien zinnig om zo nu en dan uit de loopgraven te komen en creatief na te denken over de problemen die we voor ons zien (of menen te zien). Misschien is het wel waar dat Brussel ruimte nodig heeft om te groeien? Misschien is het toch niet zo onzinnig om de beide Limburgen samen te promoten? Misschien denken we nog teveel in termen van negentiende-eeuwse veldslagen in plaats van éénentwintigste-eeuwse netwerken?
Laat een reactie achter