Vorige week overleed mijn grootvader. Gisteren las ik deze tekst voor in de kerk.
Dag mama,
Zeven jaar geleden waren we hier ook. Toen namen we afscheid van Moemoe. Ik stond hier, want ik kon het mooi vertellen. Dat kan ik nog altijd. Enfin, dat kunnen er veel bij ons. Wij zijn een familie van woorden. Van uitleggen, van analyseren.
En we hebben geanalyseerd de afgelopen week. We hebben uitgelegd dat hij een mooi en lang leven heeft gehad. Dat hij in alle rust is gestorven. Dat je niets meer voor hem kon doen dan je gedaan had. Dat hij het liefst op deze manier had willen sterven. Bij zijn dochter thuis, met haar in de buurt.
En dat is mooi en dat is allemaal misschien wel waar, maar helpt het ook iets? Troost het iets? Neemt het pijn weg?
Ik weet het niet. Misschien doen we dat gewoon omdat we niet beter weten. Omdat we niet kunnen aanvaarden dat pijn bij de schoonheid van het leven hoort. Want we houden niet van pijn. Ouders kunnen er niet tegen als hun kind weent. Geloof mij: kinderen kunnen er ook niet tegen niet als hun ouders wenen.
Ik weet ook niet of we wel zo’n familie van woorden zijn. Ja, er zijn er die het goed kunnen uitleggen. Maar er zijn er ook die gewoon in stilte werken. Die doen wat ze denken dat goed is. In de luwte. Want sommige zaken zijn vanzelfsprekend, die moeten niet nog eens gezegd worden.
Denken we dan. Tot het te laat is om het te zeggen. Dan hebben we spijt. Hadden we het maar eerder gezegd. Maar we vonden nooit de tijd. Er was altijd wel iets anders te doen. Altijd een ander moment waarop het beter zou passen.
Wel, daarom doe ik het nu. Daarom zeg ik nu alles wat er te zeggen is. Tegen jou. En tegen iedereen die jij bent. Mijn moeder. Zijn dochter. Hilde. Hildegarde.
En aan iedereen die hier is vraag ik om het voort te zeggen. Want we horen het zo weinig.
Eerst bedankt. Bedankt voor alles wat je gedaan hebt. Voor alles wat je wilde doen. Voor alles wat je nog zal doen. Want ik weet dat je het doet omdat je het beste voor ons wilt. Voor ons. Voor hem. Bedankt moeder. En bedankt iedereen. Voor alles wat jullie gedaan hebben, maar waarvoor we vergeten zijn dank te zeggen.
Maar ook: ik hou van jou. En dat zeggen we helemaal nooit. Misschien eens in een huwelijksviering. Of, soms, thuis, tegen wie er langs ons in bed ligt. Maar niet tegen al die anderen om ons heen die we ook niet willen missen. Dus ja, het is waar, en het is altijd waar geweest. Ik hou van jou, en ik heb dat nooit genoeg gezegd. Omdat ik dacht dat je dat wel wist. En als ik ooit boos zou zijn, dan is dat omdat ik van je hou. Want je kan niet boos zijn om iets waar je niet om geeft. Ik wil ook alleen het beste voor jou.
En ik geloof er in dat jij dat ook denkt. Dat je dankbaar bent. Dat je van ons houdt. En dat dat vanzelfsprekend is. En daarom dus te weinig gezegd wordt.
Maar vooral: ik geloof er ook in dat hij dat dacht. En wist van ons. Ik denk dat hij ons beter kende dan hij ooit heeft gezegd. Want dat spreekt voor zich.
De man van de dochter van je grootvader legt het ook graag uit maar deze woorden hoeven geen verdere commentaar; zwijgen en nadenken helpt ons het meest in tijden van droefheid
papa
Heel mooi geschreven.
Sterkte